


Tel: 0479/48.19.66.
Contactgegevens:
Tel: 0479/48.19.66
Fax: 03/777.93.61
Gentstraat 46
9170 -
Demonie Sven
Erkenning: EP09949
BTW: 0816.980.619
ING: 363-
Naar aanleiding van de kwaliteitscontroles van verscheidene energieprestatiecertificaten heeft het VEA de veelgemaakte of zware fouten gebundeld. Een overzicht vindt u hieronder. Van de meeste fouten spreekt het eigenlijk voor zich dat ze niet gemaakt zouden mogen worden.
De visuele inspectie primeert boven bewijsstukken. Energiedeskundigen moeten zich
steeds vergewissen van de situatie ter plaatse en de volledige wooneenheid inspecteren.
Voor de bepaling van de afmetingen mag er bijvoorbeeld niet a priori uitgegaan worden
van de plannen, maar moet nagekeken worden of deze overeenstemmen met de werkelijkheid.
Zowel afwijkingen van tijdens het bouwproces als van tijdens latere verbouwingen
moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Ook wat betreft de samenstelling van
de schil en de karakteristieken van de verwarmingsinstallatie worden de bewijsstukken
waar het kan getoetst aan de visuele inspectie.
Energiedeskundigen mogen in geen
geval uitgaan van wat de eigenaar vertelt zonder dat visuele inspectie of bewijsstukken
deze informatie bevestigt. Vaststellingen moeten, waar dat kan, op meerdere plaatsen
gecontroleerd worden. Er mogen in geen geval aannames gedaan worden die niet vermeld
worden bij de veelgestelde vragen of het inspectieprotocol om bouwfysische eigenschappen
van een gebouw te compenseren of op basis van de intuïtie van de energiedeskundige.
Een ander muurtype invoeren om een verbeterde luchtdichtheid te compenseren is bijvoorbeeld
niet toegestaan.
Om de zonnewinsten correct te laten berekenen door de software is een juiste invoer van de oriëntatie van belang. Zowel de invoer van een verkeerde hoofdoriëntatie als het omwisselen van gevels in de software komen voor.
Het stappenplan voor de bepaling van het beschermde volume moet zorgvuldig gevolgd worden. In het bijzonder moeten zolders waarvan meer dan 10% van de verliesoppervlakte niet geïsoleerd is of begrensd door het beschermde volume verder getoetst worden aan het stappenplan. Meer algemeen behoort een ruimte waarvan 90% of meer van de totale verliesoppervlakte rondom rond geïsoleerd is of begrensd door het beschermde volume tot het beschermde volume. Ook de regels met betrekking tot de bruikbare vloeroppervlakte moeten zorgvuldig gevolgd worden.
Voor het bepalen van de verliesoppervlakken worden de randen van het beschermde volume,
waarbij gerekend wordt met buitenafmetingen, beschouwd. Geveltippen van zolders die
niet behoren tot het beschermde volume worden bijvoorbeeld niet als verliesoppervlak
ingerekend. Wat betreft de verticale warmteverliezen wordt in dat geval enkel de
zoldervloer en niet de zoldervloer én het bovenliggende – al dan niet geïsoleerde
– dakvlak ingevoerd.
Muren die grenzen aan collectieve ruimtes, en in het bijzonder
aan gemeenschappelijke traphallen, worden niet beschouwd als verliesoppervlakken
en worden dus ook niet ingevoerd in de software.
Wanneer een wooneenheid wordt ingevoerd
met aanbouwen en insprongen moet er zorg voor gedragen worden dat dit op een correcte
manier gebeurt.
Zoals voor alle andere vaststellingen, moeten het inspectieprotocol en de veelgestelde
vragen ook voor het type constructie, de isolatie en de luchtspouw strikt gevolgd
worden. Op plaatsen waar niet vastgesteld kan worden of er een spouw breder dan 2
cm aanwezig is, moet ‘spouw onbekend’ ingevoerd worden. Als deze er niet is ‘spouw
afwezig’. Isolatiemateriaal en -
Begrenzingen moeten volgens werkelijkheid ingevoerd worden als de software
dit toelaat. Vooral bij vloeren, waarbij voor de begrenzing standaard in de software
buiten ingevuld is, worden op dit aspect veel fouten gemaakt.
Voor kunststoframen
kan niet visueel vastgesteld worden of het om één-
Met betrekking tot beglazing worden door energiedeskundigen veelvuldig veronderstellingen
gedaan die afwijken van het inspectieprotocol. Dit is in geen geval toegestaan. Hoogrendementsglas
mag enkel ingevoerd worden aan de hand van een positieve vlammentest of de door het
inspectieprotocol aanvaarde bewijsstukken. Beglazing met een coating die na de plaatsing
van de ramen aangebracht werd, wordt hierbij niet beschouwd als hoogrendementsglas.
Wanneer geen informatie over het bouwjaar beschikbaar is of niet aangetoond kan worden
dat de U-
Deuren,
poorten en vulpanelen waarvan niet kan aangetoond worden dat deze geïsoleerd zijn,
moeten als ‘niet-
Als er geen EPB-
Wanneer er twijfel is tussen verschillende muurtypes
moet steeds het slechtste muurtype ingevoerd worden. Bij het vaststellen van muurtype
2 moet van de totale dikte van de muur de dikte van de isolatie en spouw afgetrokken
worden. Als er hierover twijfel bestaat wordt er voor muurtype 1 gekozen.
Zowel wat betreft de ruimteverwarming als het sanitair warm water is het handig beroep
te doen op -
Wanneer er een buitenvoeler vastgesteld wordt, dan moet deze
zowel voor de regeling van de watertemperatuur van de ketel als de regeling van de
verwarmingsinstallatie ingevoerd worden. Als er geen buitenvoeler aanwezig is, mag
deze in geen geval aangeduid worden.
Condenserende ketels zijn te herkennen op basis
van de technische documentatie, de aanwezigheid van een condensafvoer of het label
dat overeenstemt met dit type ketel. Als dit niet het geval is, dan mag er geen condenserende
ketel ingevoerd worden.
De plaats van de stookinrichting – binnen of buiten het beschermde
volume – moet correct aangegeven worden. Als de ketel zich buiten het beschermde
volume bevindt en er zijn ongeïsoleerde leidingen aanwezig, dan moeten deze aangegeven
worden met inachtneming van de juiste lengte.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen gewone leidingen en circulatieleidingen. Bij circulatieleidingen circuleert permanent warm water zodat bij de aftappunten meteen warm water beschikbaar is. Het water in deze circulatieleidingen moet daarom permanent op temperatuur gehouden worden. Bij gewone leidingen stroomt er alleen warm water door de leidingen als er warmtevraag is. Bij de aftappunten zal gewacht moeten worden tot het warme water van de opwekker tot het aftappunt gestroomd is. Het juiste type leiding moet aangegeven worden evenals de lengte in het geval van gewone leidingen, en de aanwezigheid van isolatie in het geval van circulatieleidingen.
Op het energieprestatiecertificaat worden automatisch op basis van de invoergegevens
aanbevelingen gegenereerd. Deze aanbevelingen zijn niet bedoeld als maatwerkadvies
omdat ze niet het resultaat zijn van een doorgedreven energie-
Hieronder vindt u de mogelijke situaties wanneer deze toelichting kan gebruikt worden:
•
Als een aanbeveling enkel van toepassing is op een deel van de wooneenheid:
o Bijvoorbeeld:
De aanbeveling ‘vervang enkel glas door hoogrendementsglas’ is enkel van toepassing
op de ramen in de garage.
• Als volgens het inspectieprotocol moet worden uitgegaan
van de waarde ‘onbekend’ dan mag de energiedeskundige dit vermelden.
o Bijvoorbeeld:
Voor de isolatie van de vloer wordt bij de berekening uitgegaan van de waarde ‘onbekend’,
omdat ….
• Als een aanbeveling verschijnt voor het plaatsen van ‘extra isolatie’ en
als de aanwezige isolatie kan aangetoond worden (vaststellingen of bewijsstukken).
De deskundige vermeldt dan bijkomend: het type isolatie, de dikte van de isolatie
en de eventuele lambda-
o Bijvoorbeeld: De 4 cm minerale wol (merknaam) in het dak voldoet
niet aan de 0,4W/m²K.
o Bijvoorbeeld: In het hellende dak van de aangrenzende onverwarde
ruimte boven de eerste verdieping bevindt zich 12 cm minerale wol.
Het spreekt voor zich dat geen enkele van de toelichtingen van de energiedeskundige
in strijd mag zijn met het inspectieprotocol. Deze toelichtingen zijn enkel bedoeld
om bijkomende informatie of verduidelijkingen te verstrekken.
Voor een volgende versie
van de software wordt geëvalueerd op welke manier de aanbevelingen op een preciezere
manier kunnen verschijnen.
Bron: Vlaams energie agentschap (www.energiesparen.be)